In de kop van Noordwest Overijssel zijn de vaarwegen langzaam aan het dichtslibben. Dit veroorzaakt, met name voor de scheepvaart, grote problemen. Daarnaast is het dichtslibben van de vaarwegen slecht voor de waterkwaliteit. Om dit te voorkomen is baggeren noodzakelijk. In totaal is er in Noordwest Overijssel circa 200 km vaarweg aanwezig. De provincie Overijssel heeft hiervan circa 100 km in beheer. Aan weerszijden van deze vaarwegen zijn beschoeiingen, bestaande uit betonnen planken, houten planken, en perkoen palen aanwezig. Circa 16 km bestaat uit afmeerconstructies.
Door het uitbaggeren van de vaarwegen, vlak voor de keringen, bestaat de kans dat de keringen hun stabiliteit verliezen.
Aan Mos Grondmechanica is, door de Provincie Overijssel, de vraag gesteld tot welk niveau er maximaal gebaggerd kan worden totdat de kering instabiel wordt. In totaal ging het om circa 200 km lengte keringen. Door Mos Grondmechanica is een grondonderzoek en een stabiliteitsonderzoek uitgevoerd.
|

|
Het grondonderzoek is medio december 2008 tot eind februari 2009, langs de vaarwegen, uitgevoerd. Het grondonderzoek bestond, vanwege de slechte bereikbaarheid voor sondeerequipement, uit in totaal 179 boringen tot een diepte van circa mv – 3,5 m à mv – 6,0 m. Daarnaast zijn er aan de actieve en passieve zijden van de keringen hoogtemetingen uitgevoerd. In het gebied bestaat de ondergrond vanaf het huidige maaiveld tot een diepte van circa mv – 1,0 m à mv – 3,0 m overwegend uit een veenpakket. Dit veenpakket wordt veelal afgedekt door een zwak siltige en humushoudende zandlaag. Onder het veenpakket is een matig fijn zandpakket aanwezig. Op een aantal locaties bestaat de ondergrond tot de maximaal verkende boordiepte geheel uit klei- en veenlagen.
|
Het stabiliteitsonderzoek bestond uit het uitvoeren van damwand berekeningen met behulp van het computerprogramma Msheet. In totaal zijn er circa 55 verschillende dwarsprofielen (circa 6 dwarsprofielen per vaarweg) doorgerekend. Omdat er geen gegevens met betrekking tot materiaaleigenschappen aanwezig waren, zijn de maximaal te baggeren diepten bepaald op basis van bezwijken van de keringen. Doorbuigingen en optredende momenten zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. In tabelvorm is, per vaarweg, voor verschillende kilometreringen, aan de opdrachtgever aangegeven tot welke baggerdiepten de keringen nog stabiel zijn en bij welke baggerdiepten deze instabiel worden.
Vanwege de slappe bodemopbouw en de aanwezige lengten van de keringen kan geconcludeerd worden dat de bodem, gemiddeld gezien, vlak voor de keringen slechts beperkt uitgebaggerd kan worden.