1. Waterbodemsanering
Ten behoeve van fase 4A van het project IJssel-uiterwaarden te Olst wordt een zeer grote hoeveelheid grond verzet. Mos Grondmechanica B.V. heeft daarvoor een milieuhygiënische keuring op grote schaal uitgevoerd. Hierover is meer te lezen onder Partijkeuring Grootschalige ontgrondingen.
Op een deel van de projectlocatie diende de waterbodem gesaneerd te worden. Mos Grondmechanica B.V. heeft deze sanering uitgevoerd conform de BRL 6000, en is daarbij tevens gecertificeerd voor protocol 6003 voor waterbodemsaneringen.

De sanering is uitgevoerd door middel van ontgraving in den droge, conform het in een eerder stadium opgestelde deelsaneringsplan. De saneringsdoelstelling luidde: "Het behouden dan wel verbeteren van de huidige kwaliteit (voor zover deze onder de interventiewaarden ligt) en het verwijderen van de niet-toepasbare waterbodem in de oeverzone tot tenminste onder de interventiewaarde."
Voor aanvang van de sanering is aan de hand van de nieuwe normering gecontroleerd onder welke categorie de vrijkomende grond valt. Omdat het niet langer "niet-toepasbare waterbodem" betrof, is alle vrijkomende grond op locatie in depot gereden. Vooraf is ervoor gezorgd dat dit depot door middel van folie afgeschermd was van de omgeving.
Mos Grondmechanica B.V. heeft de milieuhygiënische kwaliteit van de grond in depot geverifieerd, door middel van een partijkeuring conform de BRL 1000 en protocol 1001. Aan de hand van de resultaten kan de grond worden afgevoerd naar een eindverwerker.
Ten behoeve van de eindkeuring van de sanering is door gecertificeerde milieukundig begeleiders van Mos Grondmechanica B.V. de saneringslocatie verdeeld in vakken, waarvan de putbodems en – wanden zijn bemonsterd. Bij overschrijdingen van de terugsaneerwaarde is eventueel dieper ontgraven. Uiteindelijk is een eindbemonstering uitgevoerd. Aan de hand van de resultaten is een uitgebreid evaluatieverslag opgesteld, en overlegd aan de opdrachtgever en het bevoegd gezag. Alle werkzaamheden zijn conform het geldende protocol 6003 uitgevoerd.

2. Partijkeuring grootschalige ontgrondingen
Sinds 2006 heeft Mos Grondmechanica B.V. het certificaat dat betrekking heeft op de BRL9335, protocol-2: Milieuhygiënische keuring van partijen grond uit projecten in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Onlangs is dit productcertificaat vernieuwd.
Met dit certificaat mag Mos Grondmechanica onder meer vrijkomende grond uit grootschalige projecten keuren en vrijgeven. De BRL 9335 schrijft een procesgang voor die start met het uitvoeren van een historisch en verkennend onderzoek en eindigt bij controle op de definitieve eindbestemming. De certificaathouder is verantwoordelijk voor het gehele proces.
Een project waar Mos Grondmechanica bij betrokken is, is het project IJssel-uiterwaarden Olst, projectfase 4A te Welsum/Oene aan de westoever van de IJssel. Daarbij komt circa 500.000 m3 grond vrij. Aan de hand van dit project nemen wij u mee in de diverse fasen van de BRL 9335:
Fase 1 Het vooronderzoek
Met behulp van de historische (NEN5725) en verkennende (NEN5740) bodemonderzoeken wordt de kwaliteit van de bodem vastgelegd in een bodemkwaliteitskaart. Beoordeeld wordt of een locatie voldoende uniform van (milieuhygiënische) samenstelling is om de gewenste kwaliteit te waarborgen.
Fase 2 Random partijkeuringen conform BRL1000
Alvorens het werk start, vindt met behulp van minstens 5 random in-situ keuringen per grondsoort een controle op de bodemkwaliteitskaart plaats. Tevens worden de resultaten gebruikt voor het bepalen van de spreiding in gehaltes, die een maat vormen voor de keuringsfrequentie tijdens de uitvoering.
Fase 3 Partijkeuringen tijdens de uitvoering
Tijdens de uitvoering worden eveneens partijen gekeurd conform de BRL 1000 met een frequentie die in fase 2 is vastgelegd. Deze keuringen zijn willekeurig in tijd en plaats. Daarbuiten vinden aanvullend partijkeuringen plaats indien de waarborging van de kwaliteit in het geding komt.
Fase 4 Administratieve controle
Het werk moet worden uitgevoerd met een sluitende administratie (grondbalans). Hierbij geldt het principe van herleidbaarheid: op elk moment moet de herkomst van grond zijn te traceren in tijd en plaats. Door middel van interne audits wordt dit proces gecontroleerd door de certificaathouder.
Fase 5 Eindcontrole en afgifte grondbewijs
In tegenstelling tot een keuring conform BRL 1000 blijft de certificaathouder verantwoordelijk tot aan de eindbestemming van de grond. Een sluitende administratie en een aantal externe audits dienen dit te waarborgen. Op basis hiervan wordt het uiteindelijke Grondbewijs BRL Grond 9335-2 afgegeven.
